Bij redekundig ontleden benoemen we de zinsdelen van een zin. Die zinsdelen hebben onderling met elkaar te maken. Op de lagere school hebben we geleerd dat het belangrijk is om voor het ontleden altijd een bepaalde volgorde aan te houden. Mochten we dit vergeten zijn dan volgt hier de vaste volgorde:
- 1. Benoem de persoonsvorm
- De persoonsvorm is altijd een werkwoord, waaraan je kunt zien in welke tijd een zin staat. Als de tijd veranderd, of als we de zin vragend kunnen maken, dan wordt de persoonsvorm anders. In zinnen met komma's kunnen meer persoonsvormen voorkomen.
In een enkelvoudige zin (= een zin waarin één persoonsvorm staat) zoals:
- We gaan naar de stad
kunnen we de persoonsvorm herkennen door de zin vragend te maken:
- Gaan we naar de stad?
- Gaan is dus de persoonsvorm. (Door het vragend maken van de zin komt de persoonsvorm automatisch vooraan te staan)
In zinnen met komma's (samengestelde zinnen) is het handig om de tijden te veranderen:
- Het regent vandaag, dus gaan we niet naar de stad.
Als we de tijd veranderen van de onvoltooid tegenwoordige tijd in de onvoltooid verleden tijd:
- Het regende vandaag, dus gingen we niet naar de stad.
- Hier moeten we «regent (regende) en gaan (gingen)» herkennen als de persoonsvormen, omdat we die woorden kunnen verandereren
Doordat je de zin in een andere tijd zet dan hij oorspronkelijk staat verander je de persoonsvorm. Als er twee werkwoorden in een zin staan wordt het a.v.:
- De producten zijn geregistreerd, maar hij heeft ze niet verkocht.
Deze zin staat in de voltooid tegenwoordige tijd en in de voltooid verleden tijd wordt de zin a.v.:
- De producten waren geregistreerd, maar hij had ze niet verkocht.
Wat is er gebeurd: «geregistreerd» en «verkocht» zijn niet veranderd, maar zijn en heeft wel, dus zijn dat de persoonsvormen.
- 2. Verdeel de zin in zinsdelen
- Om de zinsdelen te benoemen moet je de persoonsvorm weten. Je kunt hiervoor ook de volgorde van de zin veranderen, de persoonsvorm even tussen haakjes of streepjes zetten en dan zul je merken dat sommige woorden bij elkaar horen en niet uit elkaar gehaald moeten worden bv. de zin:
- Vorige week vierden we de verjaardag van een goede vriend, met vrienden, familie en bekenden, in zijn schitterend versierde tuin.
We bepalen de persoonsvorm van bovenstaande zin. Dat is eenvoudig in dit geval, er staat nl. maar één werkwoord in en dat is «vierden» (het werkwoord «vieren» in de onvoltooid verleden tijd). Als we de zin nu in stukjes, die bij elkaar horen, verdelen wordt het a.v: Vorige week / vierden / we / de verjaardag van een goede vriend / met vrienden, familie en bekenden / in zijn schitterend versierde tuin / en zo hebben we de zin in zinsdelen verdeeld.
- 3. Benoem het onderwerp
Je kunt op twee manieren het onderwerp van een zin vinden nl.:
- 1. Zet je «wie» of «wat» voor de persoonsvorm, dan is het onderwerp het antwoord op de vraag
- de bus rijdt te hard - wat rijdt te hard? het antwoord is: de bus (dus het onderwerp)
- 2. Als je het onderwerp veranderd van enkelvoud naar meervoud, dan verandert de persoonsvorm
- «de bus rijdt te hard» is in het meervoud - «de bussen rijden te hard»: de persoonsvorm verandert nu van rijdt naar rijden en dus is het antwoord eveneens dat «de bus» het onderwerp is.
- 4. Benoem het gezegde
We hebben te maken met twee soorten gezegden nl.:
- 1. Het naamwoordelijk gezegde (= een koppelwerkwoord plus een naamwoord dat is gekoppeld aan het onderwerp)
- «Hij is dokter - in deze zin = «is dokter» het naamwoordelijk gezegde
Als we de volgende drie vragen met «ja» kunnen beantwoorden hebben we te maken met een naamwoordelijk gezegde:
- a) wordt er iets gezegd over het onderwerp?
- b) gaat het over een toestand of wel eigenschap?
- c) staat er één van de negen koppelwerkwoorden in de zin? (punt 7 van het taalkundig ontleden)
- Met dit cadeau zijn we blij - in deze zin = «zijn blij» het naamwoordelijke gezegde
- 2. Het werkwoordelijk gezegde(= de persoonsvorm plus de bijbehorende werkwoorden in de zin)
- Ik zou graag dokter willen worden - dan is in deze zin = «zou willen worden» het werkwoordelijke gezegde
Je zou ook kunnen zeggen als we een van bovenstaande drie vragen met «nee» moeten beantwoorden hebben we te maken met een werkwoordelijk gezegde.
- 5. Benoem het lijdend voorwerp
- Nadat je bovenstaande zinsdelen zoals persoonsvorm, onderwerp en gezegde hebt benoemd kun je kijken of er een lijdend voorwerp in de zin staat. Je kunt dit vinden door «wie» of «wat» voor de gevonden zinsdelen te zetten bv.:
- Ik kocht vanmiddag een boek. - de vraag is: «wat kocht ik» en het antwoord: «een boek»
- Ik belde vandaag mijn moeder. - de vraag is: «wie belde ik» en het antwoord: «mijn moeder»
Belangrijk om te onthouden is dat in een zin met een naamwoordelijk gezegde nooit een lijdend voorwerp staat. Als we de volgende zin bekijken wordt dat ook meteen duidelijk:
- Met dit cadeau zijn wij blij.
We kunnen in dit geval wel vragen «wat zijn wij» en het antwoord is «blij», maar we hebben bij het benoemen van het gezegde al bepaald dat het zinsdeel «zijn blij» het naamwoordelijke gezegde is.
- 6. Benoem het meewerkend voorwerp
- Met de tot nu toe gevonden zinsdelen kunnen we net zoals bij het lijdend voorwerp ook het meewerkend voorwerp vinden door de vragen «aan wie» of «voor wie» te stellen (in sommige gevallen «bij wie») bv.:
- Ik gaf mijn moeder een boek voor haar verjaardag. - de vraag: «aan wie gaf ik een boek: antwoord: «mijn moeder»
- Dit cadeau is voor haar bestemd. - de vraag: «voor wie bestemd» antwoord: «voor haar»
Een zinsdeel dat met «voor» begint en dat vervangen kan worden door «ten behoeve van» is ook een meewerkend voorwerp.
- 7. Benoem het voorzetselvoorwerp
- Een voorzetselvoorwerp is een zinsdeel met een voorzetsel, gecombineerd met een werkwoord.
Er zijn twee vragen die je kunt stellen nl.:
- Wordt er een werkwoord in de zin genoemd met een vast en noodzakelijk voorzelsel?
- Is het gebuik van dit voorzetsel figuurlijk?
Hier volgen enkele voorbeelden:
- Ik kan op mijn vrienden rekenen
Rekenen op betekent dat je vertrouwen hebt, in dit geval in je vrienden. Het voorzetsel «op» is dus onlosmakend verbonden met het werkwoord «rekenen». Het is figuurlijk bedoeld, want het betekent dat je iets van je vrienden kunt verwachten en het is duidelijk dat het werkwoord «rekenen» zonder voorzetsel iets anders betekent.
- Hij werkt aan zijn scriptie
In dit geval is werken aan ook een werkwoord met een vast voorzetsel «aan» en is dit figuurlijk gebruikt, want je kunt er niets anders van maken. Je komt niet «aan» je scriptie,je hangt niet «aan» je scriptie en «werken» zonder voorzetsel betekent dat je met je dagelijkse werkzaamheden bezig bent.
- 8. Benoem de bijwoordelijke bepalingen
- Als alle zinsdelen bepaald zijn, zijn die overblijven vaak bijwoordelijke bepalingen a.v.:
(De bijvoegelijke bepaling die hierna komt is nl. geen zinsdeel!)
- Er wordt een tijd aangegeven
- Morgen maak ik het ontbijt klaar
- Er wordt een plaats genoemd
- Hier is het niet pluis
- In de zin wordt iets over het werkwoord gezegd
- Zij kan hard lopen
- In de zin wordt iets over het bijvoegelijke naamwoord gezegd
- Deze winter was het erg koud
- In de zin wordt iets over het bijwoordelijke bepaling gezegd
- Zij gedraagt zich heel vreemd
- De restwoorden en restvragen
Restwoorden zijn eigenlijk vanzelfsprekende woorden woorden waar je niets mee kunt en daar zijn er veel van, dus het heeft geen zin ze allemaal te onthouden. Ze blijven vanzelf over, nadat je de overige zinsdelen benoemd hebt.
- Hij heeft geen geduld meer.
- Ik weet eigenlijk niet wat je bedoeld.
We hebben voor het ontleden van een zin al meerdere vragen moeten stellen, de zg.standaardvragen als «wie», «wat», «aan wie» en «voor wie». De vragen die overblijven zoals «wanneer», «hoe», «waarom», «waarheen», «waar», «hoelang» en «waarmee», die kunnen we de restvragen noemen, die waarschijnlijk het antwoord zijn voor de restwoorden.
- Vanwege een tekort aan personeel zijn er wachttijden
De vraag hier is «waarom?» en het antwoord is «Vanwege een tekort aan personeel» = een antwoord op een restvraag - «er» (daar) = een bijwoordelijke bepaling van plaats.
- Ik reis met de trein naar Madrid
De vraag hier is «waarmee?» en het antwoord op de restvraag = met de trein en naar Madrid = een bijwoordelijke bepaling van plaats
- Met de familie hebben we gisteren gezellig een glas wijn gedronken
De vraag hier is «met wie?» en het antwoord op de restvraag = Met de familie. Hier is gisteren een bijwoordelijke bepaling van tijd en gezellig een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt het over drinken van een glas wijn.
Er kunnen ook zinsdelen in zinsdelen staan. In dat geval moeten we de zinsdelen nog een keer bekijken en zoeken naar:
- 9. Bijvoegelijke bepalingen
- Een bijvoeglijke bepaling hoort bij een zelfstandig naamwoord en kan uit één of meerdere woorden bestaan.
In het Nederlands kan een bijvoegelijke bepaling zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord geplaats worden bv.:
- a. Het was een gezellig café waar we de wijn dronken
- b. Het café was gezellig
De bijvoegelijke bepaling is veel eenvoudiger dan de bijwoordelijke bepaling, die vaak iets over een werkwoord zegt, en in deze voorbeelden wordt ook weer duidelijk dat de bijvoeglijke bepaling een eigenschap is van het zelfstandig naamwoord. Als dit in een zinsdeel staat is het handig om dan de vragen «welke?» en «wat voor?» te stellen en door het antwoord achter de bijvoegelijke bepaling te komen.
Zoals hierboven vermeld, is de bijvoegelijke bepaling geen zinsdeel, maar juist een deel ervan. Toch worden deze bepalingen vaak met elkaar verward.
Het woord «gezellig» in bovenstaande zinnen zegt iets over het zelfstandige naamwoord «café».
De volgende twee voorbeeld zinnnen maken het nog duidelijker:
- a. Deze stevige schoenen zijn om te wandelen
- b. Hij staat stevig in zijn schoenen
Het woord «stevige» in zin a. hoort bij «schoenen» en het woord «stevig» in zin b. bij het werkwoord «staan» en is dus een bijwoordelijke bepaling.
Nog een paar voorbeelden:
- a. Mijn vriend is knap, lief, aardig en social.
- b. Het werd een zeer lange wandeling.
- c. Naxos is een klein eiland in de Egeïsche Zee
In zin a. zeggen de woorden «knap», «lief», «aardig» en «sociaal» allemaal iets over mijn vriend, en zijn dus alle vier bijvoegelijke bepalingen
In zin b. is het woord «lange» de bijvoegelijke bepaling, want het zegt iets over de wandeling en het woord «zeer» een bijwoordelijke bepaling, omdat dat iets over «lange» zegt.
In zin c. is het woord «klein» de bijvoegelijke bepaling, want het zegt iets over het eiland. Dit geldt ook voor «in de Egeïsche Zee».
Wat als er twee of meer bijvoegelijke bepalingen in een zin staan zoals in de volgende voorbeeld zinnen:
- a. De rode fiets van die kleine jongen is gestolen
- b. Dat slanke meisje met die blauwe trui is een goede zwemster
- We verdelen zin a. in zinsdelen als volgt: De rode fiets van die kleine jongen | is | gestolen
We zien twee zelfstandige naamwoorden, «fiets» en «jongen». Op de vraag welke fiets? is het antwoord De rode. Er staat nog een deel in hetzelfde zinsdeel en als we nogmaals dezelfde vraag stellen, welke fiets?, is het antwoord van die kleine jongen. De volgende vraag wordt welke jongen? met als antwoord die kleine
- Samengevat kunnen we nu de bijvoegelijke bepalingen noemen:
- 1. De rode is een bijvoegelijke bepaling bij «fiets»
- 2. van die kleine jongen is een bijvoegelijke bepaling bij «fiets»
- 3. Die kleine is een bijvoegelijke bepaling bij «jongen»
We doen hetzelfde bij zin b.
- We verdelen de zin in zinsdelen als volgt: Dat kleine meisje met die blauwe trui | is | een goede zwemster
In zin b. zien we drie zelfstandige naamwoorden, «meisje», «trui» en «zwemster». Op de vraag welke meisje? is het antwoord Dat slanke. Er staat nog een deel in hetzelfde zinsdeel en als we nogmaals dezelfde vraag stellen, welke meisje?, is het antwoord met die blauwe trui. De volgende vraag wordt welke trui? met als antwoord die blauwe. We hebben nog een derde zelfstandg naamwoord waaraan we de vraag «wat voor?» zwemster stellen en waarop het antwoord een goede is
- Samengevat kunnen we nu de bijvoegelijke bepalingen noemen:
- 1. Dat slanke is een bijvoegelijke bepaling bij «meisje»
- 2. met die blauwe trui is een bijvoegelijke bepaling bij «meisje»
- 3. die blauwe is een bijvoegelijke bepaling bij «trui»
- 4. een goede is een bijvoegelijke bepaling bij «zwemster»
- 10. Bijstellingen
- Een bijstelling is eigenlijk een soort bijvoegelijke bepaling die altijd tussen komma's geplaatst wordt en om die reden voegt de inhoud ervan niet veel toe aan de betekenis van de zin.
- De bijstelling kan op een plek in een zinsdeel geplaatst worden, na het zelfstandig naamwoord.
- Een bijstelling kan in elk zinsdeel met een zelfstandig naamwoord geplaatst worden.
Hier volgen een paar voorbeeld zinnen:
- 1. Rotterdam, de grootste havenstad ter wereld, is een moderne stad
- 2. Naxos, een eiland in de Egeïsche Zee, heeft veel mooie stranden
- 3. Feyenoord, een voetbalclub uit Rotterdam, staat tweede in de competitie
- 4. Georgos Dalaras, een beroemde Griekse zanger, is overal in Europa bekend
«de grootste havenstad ter wereld», «een eiland in de Egeïsche Zee», «een voetbalclub uit Rotterdam» en «een beroemde Griekse zanger» zijn de bijstellingen. Ze staan alle vier tussen komma's en ze kunnen alle vier van plaats verwisselen met het woord ervoor:
- 1. De grootste havenstad ter wereld, Rotterdam, is een moderne stad
- 2. Een eiland in de Egeïsche Zee, Naxos, heeft veel mooie stranden
- 3. Een voetbalclub uit Rotterdam, Feyenoord, staat tweede in de competitie
- 4. Een beroemde Griekse zanger, Georgos Dalaras, is overal in Europa bekend
N.B.
«Een naamwoordelijk gezegde en een lijdend voorwerp in één zin gaan niet samen!»
Bij een taalkundige ontleding geef je elk woord van een zin een taalkundige naam. Deze ontleding is een manier waarop we naar de taal kijken om deze beter te begrijpen. Bij taalkundig ontleden zijn er veel woordsoorten te benoemen. Deze termen geven door hun naam eigenlijk al aan waar ze over gaan. Bij de term bezittelijk voornaamwoord weten we meteen dat het over een bezit gaat en een persoonlijk voornaamwoord duidt een persoon of personen aan. Hier volgen de de taalkundige namen in alfabetische volgorde:
- 1. Benoem de persoonsvorm
- De persoonsvorm is altijd een werkwoord, waaraan je kunt zien in welke tijd een zin staat. Als de tijd veranderd, of als we de zin vragend kunnen maken, dan wordt de persoonsvorm anders. In zinnen met komma's kunnen meer persoonsvormen voorkomen.
In een enkelvoudige zin (= een zin waarin één persoonsvorm staat) zoals:
- We gaan naar de stad
kunnen we de persoonsvorm herkennen door de zin vragend te maken:
- Gaan we naar de stad?
- Gaan is dus de persoonsvorm. (Door het vragend maken van de zin komt de persoonsvorm automatisch vooraan te staan)
In zinnen met komma's (samengestelde zinnen) is het handig om de tijden te veranderen:
- Het regent vandaag, dus gaan we niet naar de stad.
Als we de tijd veranderen van de onvoltooid tegenwoordige tijd in de onvoltooid verleden tijd:
- Het regende vandaag, dus gingen we niet naar de stad.
- Hier moeten we «regent (regende) en gaan (gingen)» herkennen als de persoonsvormen, omdat we die woorden kunnen verandereren
Doordat je de zin in een andere tijd zet dan hij oorspronkelijk staat verander je de persoonsvorm. Als er twee werkwoorden in een zin staan wordt het a.v.:
- De producten zijn geregistreerd, maar hij heeft ze niet verkocht.
Deze zin staat in de voltooid tegenwoordige tijd en in de voltooid verleden tijd wordt de zin a.v.:
- De producten waren geregistreerd, maar hij had ze niet verkocht.
Wat is er gebeurd: «geregistreerd» en «verkocht» zijn niet veranderd, maar zijn en heeft wel, dus zijn dat de persoonsvormen.
- 2. Verdeel de zin in zinsdelen
- Om de zinsdelen te benoemen moet je de persoonsvorm weten. Je kunt hiervoor ook de volgorde van de zin veranderen, de persoonsvorm even tussen haakjes of streepjes zetten en dan zul je merken dat sommige woorden bij elkaar horen en niet uit elkaar gehaald moeten worden bv. de zin:
- Vorige week vierden we de verjaardag van een goede vriend, met vrienden, familie en bekenden, in zijn schitterend versierde tuin.
We bepalen de persoonsvorm van bovenstaande zin. Dat is eenvoudig in dit geval, er staat nl. maar één werkwoord in en dat is «vierden» (het werkwoord «vieren» in de onvoltooid verleden tijd). Als we de zin nu in stukjes, die bij elkaar horen, verdelen wordt het a.v: Vorige week / vierden / we / de verjaardag van een goede vriend / met vrienden, familie en bekenden / in zijn schitterend versierde tuin / en zo hebben we de zin in zinsdelen verdeeld.
- 3. Benoem het onderwerp
Je kunt op twee manieren het onderwerp van een zin vinden nl.:
- 1. Zet je «wie» of «wat» voor de persoonsvorm, dan is het onderwerp het antwoord op de vraag
- de bus rijdt te hard - wat rijdt te hard? het antwoord is: de bus (dus het onderwerp)
- 2. Als je het onderwerp veranderd van enkelvoud naar meervoud, dan verandert de persoonsvorm
- «de bus rijdt te hard» is in het meervoud - «de bussen rijden te hard»: de persoonsvorm verandert nu van rijdt naar rijden en dus is het antwoord eveneens dat «de bus» het onderwerp is.
- 4. Benoem het gezegde
We hebben te maken met twee soorten gezegden nl.:
- 1. Het naamwoordelijk gezegde (= een koppelwerkwoord plus een naamwoord dat is gekoppeld aan het onderwerp)
- «Hij is dokter - in deze zin = «is dokter» het naamwoordelijk gezegde
Als we de volgende drie vragen met «ja» kunnen beantwoorden hebben we te maken met een naamwoordelijk gezegde:
- a) wordt er iets gezegd over het onderwerp?
- b) gaat het over een toestand of wel eigenschap?
- c) staat er één van de negen koppelwerkwoorden in de zin? (punt 7 van het taalkundig ontleden)
- Met dit cadeau zijn we blij - in deze zin = «zijn blij» het naamwoordelijke gezegde
- 2. Het werkwoordelijk gezegde(= de persoonsvorm plus de bijbehorende werkwoorden in de zin)
- Ik zou graag dokter willen worden - dan is in deze zin = «zou willen worden» het werkwoordelijke gezegde
Je zou ook kunnen zeggen als we een van bovenstaande drie vragen met «nee» moeten beantwoorden hebben we te maken met een werkwoordelijk gezegde.
- 5. Benoem het lijdend voorwerp
- Nadat je bovenstaande zinsdelen zoals persoonsvorm, onderwerp en gezegde hebt benoemd kun je kijken of er een lijdend voorwerp in de zin staat. Je kunt dit vinden door «wie» of «wat» voor de gevonden zinsdelen te zetten bv.:
- Ik kocht vanmiddag een boek. - de vraag is: «wat kocht ik» en het antwoord: «een boek»
- Ik belde vandaag mijn moeder. - de vraag is: «wie belde ik» en het antwoord: «mijn moeder»
Belangrijk om te onthouden is dat in een zin met een naamwoordelijk gezegde nooit een lijdend voorwerp staat. Als we de volgende zin bekijken wordt dat ook meteen duidelijk:
- Met dit cadeau zijn wij blij.
We kunnen in dit geval wel vragen «wat zijn wij» en het antwoord is «blij», maar we hebben bij het benoemen van het gezegde al bepaald dat het zinsdeel «zijn blij» het naamwoordelijke gezegde is.
- 6. Benoem het meewerkend voorwerp
- Met de tot nu toe gevonden zinsdelen kunnen we net zoals bij het lijdend voorwerp ook het meewerkend voorwerp vinden door de vragen «aan wie» of «voor wie» te stellen (in sommige gevallen «bij wie») bv.:
- Ik gaf mijn moeder een boek voor haar verjaardag. - de vraag: «aan wie gaf ik een boek: antwoord: «mijn moeder»
- Dit cadeau is voor haar bestemd. - de vraag: «voor wie bestemd» antwoord: «voor haar»
Een zinsdeel dat met «voor» begint en dat vervangen kan worden door «ten behoeve van» is ook een meewerkend voorwerp.
- 7. Benoem het voorzetselvoorwerp
- Een voorzetselvoorwerp is een zinsdeel met een voorzetsel, gecombineerd met een werkwoord.
Er zijn twee vragen die je kunt stellen nl.:
- Wordt er een werkwoord in de zin genoemd met een vast en noodzakelijk voorzelsel?
- Is het gebuik van dit voorzetsel figuurlijk?
Hier volgen enkele voorbeelden:
- Ik kan op mijn vrienden rekenen
Rekenen op betekent dat je vertrouwen hebt, in dit geval in je vrienden. Het voorzetsel «op» is dus onlosmakend verbonden met het werkwoord «rekenen». Het is figuurlijk bedoeld, want het betekent dat je iets van je vrienden kunt verwachten en het is duidelijk dat het werkwoord «rekenen» zonder voorzetsel iets anders betekent.
- Hij werkt aan zijn scriptie
In dit geval is werken aan ook een werkwoord met een vast voorzetsel «aan» en is dit figuurlijk gebruikt, want je kunt er niets anders van maken. Je komt niet «aan» je scriptie,je hangt niet «aan» je scriptie en «werken» zonder voorzetsel betekent dat je met je dagelijkse werkzaamheden bezig bent.
- 8. Benoem de bijwoordelijke bepalingen
- Als alle zinsdelen bepaald zijn, zijn die overblijven vaak bijwoordelijke bepalingen a.v.:
(De bijvoegelijke bepaling die hierna komt is nl. geen zinsdeel!)
- Er wordt een tijd aangegeven
- Morgen maak ik het ontbijt klaar
- Er wordt een plaats genoemd
- Hier is het niet pluis
- In de zin wordt iets over het werkwoord gezegd
- Zij kan hard lopen
- In de zin wordt iets over het bijvoegelijke naamwoord gezegd
- Deze winter was het erg koud
- In de zin wordt iets over het bijwoordelijke bepaling gezegd
- Zij gedraagt zich heel vreemd
- De restwoorden en restvragen
Restwoorden zijn eigenlijk vanzelfsprekende woorden woorden waar je niets mee kunt en daar zijn er veel van, dus het heeft geen zin ze allemaal te onthouden. Ze blijven vanzelf over, nadat je de overige zinsdelen benoemd hebt.
- Hij heeft geen geduld meer.
- Ik weet eigenlijk niet wat je bedoeld.
We hebben voor het ontleden van een zin al meerdere vragen moeten stellen, de zg.standaardvragen als «wie», «wat», «aan wie» en «voor wie». De vragen die overblijven zoals «wanneer», «hoe», «waarom», «waarheen», «waar», «hoelang» en «waarmee», die kunnen we de restvragen noemen, die waarschijnlijk het antwoord zijn voor de restwoorden.
- Vanwege een tekort aan personeel zijn er wachttijden
De vraag hier is «waarom?» en het antwoord is «Vanwege een tekort aan personeel» = een antwoord op een restvraag - «er» (daar) = een bijwoordelijke bepaling van plaats.
- Ik reis met de trein naar Madrid
De vraag hier is «waarmee?» en het antwoord op de restvraag = met de trein en naar Madrid = een bijwoordelijke bepaling van plaats
- Met de familie hebben we gisteren gezellig een glas wijn gedronken
De vraag hier is «met wie?» en het antwoord op de restvraag = Met de familie. Hier is gisteren een bijwoordelijke bepaling van tijd en gezellig een bijwoordelijke bepaling, omdat het iets zegt het over drinken van een glas wijn.
Er kunnen ook zinsdelen in zinsdelen staan. In dat geval moeten we de zinsdelen nog een keer bekijken en zoeken naar:
- 9. Bijvoegelijke bepalingen
- Een bijvoeglijke bepaling hoort bij een zelfstandig naamwoord en kan uit één of meerdere woorden bestaan.
In het Nederlands kan een bijvoegelijke bepaling zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord geplaats worden bv.:
- a. Het was een gezellig café waar we de wijn dronken
- b. Het café was gezellig
De bijvoegelijke bepaling is veel eenvoudiger dan de bijwoordelijke bepaling, die vaak iets over een werkwoord zegt, en in deze voorbeelden wordt ook weer duidelijk dat de bijvoeglijke bepaling een eigenschap is van het zelfstandig naamwoord. Als dit in een zinsdeel staat is het handig om dan de vragen «welke?» en «wat voor?» te stellen en door het antwoord achter de bijvoegelijke bepaling te komen.
Zoals hierboven vermeld, is de bijvoegelijke bepaling geen zinsdeel, maar juist een deel ervan. Toch worden deze bepalingen vaak met elkaar verward.
Het woord «gezellig» in bovenstaande zinnen zegt iets over het zelfstandige naamwoord «café».
De volgende twee voorbeeld zinnnen maken het nog duidelijker:
- a. Deze stevige schoenen zijn om te wandelen
- b. Hij staat stevig in zijn schoenen
Het woord «stevige» in zin a. hoort bij «schoenen» en het woord «stevig» in zin b. bij het werkwoord «staan» en is dus een bijwoordelijke bepaling.
Nog een paar voorbeelden:
- a. Mijn vriend is knap, lief, aardig en social.
- b. Het werd een zeer lange wandeling.
- c. Naxos is een klein eiland in de Egeïsche Zee
In zin a. zeggen de woorden «knap», «lief», «aardig» en «sociaal» allemaal iets over mijn vriend, en zijn dus alle vier bijvoegelijke bepalingen
In zin b. is het woord «lange» de bijvoegelijke bepaling, want het zegt iets over de wandeling en het woord «zeer» een bijwoordelijke bepaling, omdat dat iets over «lange» zegt.
In zin c. is het woord «klein» de bijvoegelijke bepaling, want het zegt iets over het eiland. Dit geldt ook voor «in de Egeïsche Zee».
Wat als er twee of meer bijvoegelijke bepalingen in een zin staan zoals in de volgende voorbeeld zinnen:
- a. De rode fiets van die kleine jongen is gestolen
- b. Dat slanke meisje met die blauwe trui is een goede zwemster
- We verdelen zin a. in zinsdelen als volgt: De rode fiets van die kleine jongen | is | gestolen
We zien twee zelfstandige naamwoorden, «fiets» en «jongen». Op de vraag welke fiets? is het antwoord De rode. Er staat nog een deel in hetzelfde zinsdeel en als we nogmaals dezelfde vraag stellen, welke fiets?, is het antwoord van die kleine jongen. De volgende vraag wordt welke jongen? met als antwoord die kleine
- Samengevat kunnen we nu de bijvoegelijke bepalingen noemen:
- 1. De rode is een bijvoegelijke bepaling bij «fiets»
- 2. van die kleine jongen is een bijvoegelijke bepaling bij «fiets»
- 3. Die kleine is een bijvoegelijke bepaling bij «jongen»
We doen hetzelfde bij zin b.
- We verdelen de zin in zinsdelen als volgt: Dat kleine meisje met die blauwe trui | is | een goede zwemster
In zin b. zien we drie zelfstandige naamwoorden, «meisje», «trui» en «zwemster». Op de vraag welke meisje? is het antwoord Dat slanke. Er staat nog een deel in hetzelfde zinsdeel en als we nogmaals dezelfde vraag stellen, welke meisje?, is het antwoord met die blauwe trui. De volgende vraag wordt welke trui? met als antwoord die blauwe. We hebben nog een derde zelfstandg naamwoord waaraan we de vraag «wat voor?» zwemster stellen en waarop het antwoord een goede is
- Samengevat kunnen we nu de bijvoegelijke bepalingen noemen:
- 1. Dat slanke is een bijvoegelijke bepaling bij «meisje»
- 2. met die blauwe trui is een bijvoegelijke bepaling bij «meisje»
- 3. die blauwe is een bijvoegelijke bepaling bij «trui»
- 4. een goede is een bijvoegelijke bepaling bij «zwemster»
- 10. Bijstellingen
- Een bijstelling is eigenlijk een soort bijvoegelijke bepaling die altijd tussen komma's geplaatst wordt en om die reden voegt de inhoud ervan niet veel toe aan de betekenis van de zin.
- De bijstelling kan op een plek in een zinsdeel geplaatst worden, na het zelfstandig naamwoord.
- Een bijstelling kan in elk zinsdeel met een zelfstandig naamwoord geplaatst worden.
Hier volgen een paar voorbeeld zinnen:
- 1. Rotterdam, de grootste havenstad ter wereld, is een moderne stad
- 2. Naxos, een eiland in de Egeïsche Zee, heeft veel mooie stranden
- 3. Feyenoord, een voetbalclub uit Rotterdam, staat tweede in de competitie
- 4. Georgos Dalaras, een beroemde Griekse zanger, is overal in Europa bekend
«de grootste havenstad ter wereld», «een eiland in de Egeïsche Zee», «een voetbalclub uit Rotterdam» en «een beroemde Griekse zanger» zijn de bijstellingen. Ze staan alle vier tussen komma's en ze kunnen alle vier van plaats verwisselen met het woord ervoor:
- 1. De grootste havenstad ter wereld, Rotterdam, is een moderne stad
- 2. Een eiland in de Egeïsche Zee, Naxos, heeft veel mooie stranden
- 3. Een voetbalclub uit Rotterdam, Feyenoord, staat tweede in de competitie
- 4. Een beroemde Griekse zanger, Georgos Dalaras, is overal in Europa bekend
