De werkwoordwijzen worden gebruikt om te refereren aan een kenmerkende verbale constructie, die is gekoppeld aan een specifieke functie.

De wijs van een werkwoord geeft de rol aan die de handeling van het werkwoord speelt.

Om de verschillende wijzen tussen werkwoordsvormen te herkennen, moeten ze zich onderscheiden hetzij in de verbogen uitgangen van het werkwoord, of in de keuze van de lidwoorden die in de zin gebruikt worden.

De wijs (eng. mood) is daardoor gekenmerkt als een werkwoordelijke grammaticale categorie, terwijl de modaliteit (de wijze) wordt gebruikt om te verwijzen naar een aantal taalkundige toepassingen in de basis wijzen.

In het MG onderscheiden we drie wijzen:

De indicatief of de aantonende wijs «η οριστική»
  • Deze wijs geeft de werkelijkheid weer. We gebruiken deze wijs als we informatie willen geven over een toestand, gebeurtenis of situatie. Een ontkening, gevormd met het partikel «δεν», wordt voor het werkwoord geplaatst.

Enkele voorbeelden in zinnen:

ολλανδός
  • Ik ga naar school.
  • Ik keerde terug naar huis.
  • Jan kwam nog niet terug.
  • In zin 1 zien we een gebeurtenis met het werkwoord «πηγαίνω = gaan» in de 1ste persoon enkelvoud van de onvoltooid tegenwoordige tijd.
  • Zin 2 is een gebeurtenis met het werkwoord «γυρίζω = terugkeren» in de 1ste persoon enkelvoud van de aoristos.
  • In zin drie wordt het partikel «δεν» voor het werkwoord «γυρίζω» geplaatst.

Voorwaardelijke uitdrukkingen

  • Het partikel «θα» van de toekomende tijd en de partikels «να» en «ας» van de aanvoegende wijs in combinatie met werkwoordsvormen van de aantonende wijs worden gebruikt om hoop, toeval, een wens, een mogelijkheid, een veronderstelling uit te drukken.
ολλανδός
  • Had ik het examen maar gehaald.

  • Kon ik de loterij maar winnen!
  • Hij zal nu wel teruggekeerd zijn, het is laat.
  • In zin 1 wordt een wens weergegeven en is het partikel «να» in de 1ste persoon enkelvoud van de voltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord «περνάω - voorbijgaan, passeren, oversteken» in de aantonende wijs vervoegd.
  • Zin 2 drukt hoop uit. Het partikel «ας» is met het werkwoord «κερδίζω - winnen, overwinnen, verdienen», vervoegd in de 1ste persoon van de onvoltooid verleden tijd in de aantonende wijs.
  • In zin 3 wordt iets verondersteld. Hier is het partikel «θα» gebruikt en het werkwoord «γυρίζω - draaien, keren, terugkeren, afwijken» is vervoegd in de 3de persoon van de voltooid toekomende tijd in de aantonende wijs.

De conjunctief of aanvoegende wijs «η υποτακτική»
  • Deze wijs geeft een wilsuiting weer. Als we iets verlangen, voorstellen, aanbevelen, wensen, vrezen, toestaan, toegeven of ergens bang voor zijn, ergens door beïnvloed worden, ergens op toespelen of suggereren, maken we gebruik van de conjunctief. De aanvoegende wijs wordt gevormd met een partikel zoals «να» en «ας» en een werkwoordsvorm. Negatieve zinnen in de aanvoegende wijs worden gevormd met het partikel «μην» geplaats tussen «να» en «ας» en de werkwoordsvorm.

Enkele voorbeeldzinnen:

ολλανδός
  • lett. Ik wil dat we spelen.
  • Laten we zingen.
  • Ik ben bang om te rijden in Athene.
  • Ik kan niet, niet gaan.
  • Alle vier de zinnen laten een van bovengenoemde eigenschappen zien, zoals verlangen in zin 1, een voorstel in zin 2, bang zijn in zin 3 en zin 4 is een ontkenende zin, die betekent: Ik moet gaan.

De imperatief of gebiedende wijs «η υποστακτική»
  • Deze wijs duidt een bevel of advies aan. Wanneer we willen vragen of eisen dat iemand iets doet wordt gebruik gemaakt van de gebiedende wijs. Deze wijs vormt geen negatieve zinnen. De ontkenning in de imperatief wordt uitgedrukt met uitingen in de aanvoegende wijs.

Enkele voorbeeldzinnen:

ολλανδός
  • Ga weg!
  • Openen jullie je boeken!
  • Raap je speelgoed op!
  • Draag die broek niet!

  • Geef het hem niet!
  • In de eerste zin zien we het werkwoord «βγαίνω - weggaan», dat is vervoegd in de aoristus van de gebiedende wijs enkelvoud.
  • In zin twee is het werkwoord «ανοίγω - openen» vervoegd in de aorist van de gebiedende wijs meervoud.
  • Het werkwoord «μαζεύω - oprapen» betekent ook verzamelen, maar in zin drie is het oprapen of op pakken. Het is vervoegd in de aoristos van de gebiedende wijs enkelvoud.
  • Zoals hierboven is uitgelegd heeft de gebiedende wijs geen negatieve vorm en wordt het partikel «μην», in geval van een ontkenning, met de aanvoegende wijs gebruikt. Het werkwoord «φοράω - dragen» in zin vier is in de 2de persoon enkelvoud in de aorist van de aanvoegende wijs vervoegd. Hetzelfde is gebeurd in zin vijf met het werkwoord «δίνω - geven». Het partikel «να» mag, bij een uiting die een verbod uitdrukt, weggelaten worden.

Van de drie wijzen onderscheidt de gebiedende wijs zich door zijn specifieke werkwoordelijke uitgangen, terwijl de andere twee zich van elkaar onderscheiden door de keuze van de partikels die het werkwoord vergezellen en door de keuze van de negatieve partikels

Dus de aantonende- en aanvoegende wijs in het kort:

  • (δεν) - θα + werkwoord vertegenwoordigen de aantonende wijs
  • (μην) - να en ας + werkwoord vertegenwoordigen de aanvoegende wijs.

Met de aantonende wijs wordt de gebeurtenis of toestand van het werkwoord omschreven in de tegenwoordige tijd, verleden tijd en toekomende tijd: «γράφω - ik schrijf of ik ben aan het schrijven», «έγραφα - ik schreef» en in de aoristus «έγραψα - ik schreef (ook in de betekenis van: ik ben gewend te schrijven).»

Over het algemeen is dit goed te begrijpen, maar als het verband gecompliceerder wordt kan de aantonende wijs een andere wijze aanwenden die soms aanzienlijk verschilt van het kenmerkende specifieke gebruik.

Een van de eigenschappen van de aantonende wijs is het feit dat er geen misverstand kan bestaan over de waarheid van hetgeen beweerd wordt. Een ontkenning van een uitdrukking met het partikel «δεν», dat ook een kenmerk van de indicatief is, kan in veel gevallen uitkomst bieden of een bewering wel of niet als juist geinterpreteerd wordt.

Nemen we nu de uitdrukking «θα γράψω - ik zal schrijven», die in de onvoltooid toekomende tijd staat en we kunnen het partikel «δεν» toevoegen «δεν θα γράψω - ik zal niet schrijven» hebben we het bewijs dat de bewering juist is.

Echter de toekomende tijd is geen tijd die we als onbevooroordeeld kunnen omschrijven, omdat de gebeurtenis of toestand nog niet heeft plaats gevonden. Dit betekent dat de toekomende tijd van de aantonende wijs, niet altijd een feit hoeft uit te drukken.

Omdat de toekomende tijd nu eenmaal een deel is van de indicatief kunnen we bij het gebruik van deze tijd de stand van zaken ook als een mogelijkheid of als een waarschijnlijkheid uitdrukken.

 

Alle werkwoordelijke uitdrukkingen in de toekomende tijd, waaraan het partikel «δεν» kan worden toegevoegd en die niet samen kunnen gaan met de partikels «να» en «ας» van de aanvoegende wijs, worden als aantonend gerangschikt.

Hierbij de volgende voorbeeldzinnen incl. het partikel «δεν»
ολλανδός
  • Ik schrijf (niet) vaak aan mijn vriend.
  • Ik zal vanavond (g)een brief schrijven.
  • Ik schreef het (niet) voor jou.
  • Hij moet het haar (niet) geschreven hebben.
  • In zin 1 is de aantonende wijs duidelijk omdat we als bewijs ervoor de zin ontkennend kunnen maken met het partikel «δεν».
  • Zin 2, in de toekomende tijd, is een waarschijnlijkheid en daarvoor kunnen we ook de aantonende wijs gebruiken in de voltooid toekomende tijd.
  • In zin 3 wordt de aoristus gebruikt, maar ook in de aantonende wijs.
  • In zin 4 gebruiken we de voltooid toekomende tijd en de zin is een voorwaardelijke zin * in de betekenis van: Hij zou het (niet) hebben moeten doen.
 

* Een van de meest interessante facetten van de wijs in het MG is, dat verklaringen of vragen in de toekomende tijd, met niet- bevestigende uitdrukkingen die veronderstellingen of conclusies over de verleden, heden of toekomst gelijkgesteld worden, vanwege het feit dat ze worden weergegeven met het partikel «θα» voor het werkwoord.


Het MG verschilt van andere talen doordat het de infinitief (de onverbogen vorm van het werkwoord) mist. Dat wordt in het MG gecontroleerd door zinsdelen met een verbogen werkwoord, meestal in de aanvoegende wijs (conjunctief) in een aanvullend zinsdeel.

Het partikel «ας» van de aanvoegende wijs komt alleen voor in de directe rede, d.w.z. in de letterlijke weergave van iemands woorden. Het drukt berisping, waarschuwing, toestemming, goedkeuring, onverschilligheid en waardering uit. Gecombineerd met de onvoltooid verleden tijd drukt het een onvervulbare wens uit.

Het partikel «να» daarentegen geeft een wens, een verzoek, een minder sterk bevel (minder dan in de gebiedende wijs) etc. weer. In de volgende zinnen zijn de verschillen tussen de beide partikels, met en zonder gebruik van het ontkennende parτikel «μην»:

ολλανδός
  • Laat hen niet komen, omdat ze niet willen.
  • Zeg het haar, ze zal het op prijs stellen.
  • Had je het haar maar niet gezegd!
  • Waarschuw haar voor de gladde straten.
  • We zouden hem vandaag niet lastig moeten vallen
  • Zeg het maar, ik wil het graag weten.
  • De tendens van zin 1 is toestemming (We staan hen toe om niet te komen). Zouden we hier «να» gebruiken dan zou de zin veranderen in een soort bevel (Er wordt op aangedrongen dat zij niet komen).
  • Zin 2 is met de ontkenning «μην» een waarschuwing en zonder «μην» een aanbeveling.
  • Als «ας» gebruikt wordt met de onvoltooid verleden tijd, zoals in zin 3, kan het in alle persoonsvormen gebruikt worden. Hier wordt een onvervulbare wens uitgedrukt.
  • Zouden we in zin 4 «ας» gebruiken dan zou deze zin laten we haar waarschuwen betekenen en nu drukt het een afgezwakt bevel uit.
  • Voor zin 5 geldt hetzelfde als in zin 4. Gebruiken we «ας» dan verandert de zin in laten we hem niet lastig vallen. Met «να» drukt het een verzoek uit
  • Zeg het maar in zin 6 is een zwak bevel (minder sterk dan in de gebiedende wijs)

Hier vind je meer over de partikels


Een bevestigende gebiedende zin wordt gekenmerkt door het gebruik van een werkwoord in de gebiedende wijs. Er zijn twee gevallen waarin de gebiedende wijs vervangen wordt door de aanvoegende wijs:

  • Als een bevel wordt afgezwakt (possitieve commando's)
ολλανδός
  • Geef hem het geld toch!
  • Je had het haar moeten vertellen!
  • Drink het toch op, het is lekker!
  • Spreken jullie toch Grieks met Peter!
  • Je moet het haar vertellen!
  • Kleed je maar aan, we gaan weg!
  • Alle zinnen zijn gebiedend, maar wel minder sterk geformuleerd dan in de gebiedende wijs, daarom is hier de aanvoegende wijs bebruikt.
  • In zin 6 is de lijdende vorm van het werkwoord «ντύνω - kleden» gebruikt «ντύνομαι - jezelf aankleden» gebruikt.
  • Als een bevel negatief is
ολλανδός
  • Schrijf het haar niet
  • Je zou het haar niet moeten schrijven
  • Ga daar niet in de hoek zitten.
  • Sluit de deur niet.
  • Je zou de deur niet moeten sluiten.
  • Praat me niet over dit verhaal.

  • Niet doen! (eng. don't)

Om een negatief bevel of verbod te formuleren wordt de negatieve aanvoegende wijs gebruikt met behulp van de partikels «ας» en «να». Het partikel «να» mag weggelaten worden, maar dan wordt het bevel of verbod directer. Het partikel «μη(ν)» kan ook zonder de andere partikels gebruikt worden om iets te verbieden of als advies over iets wat eerder gezegd is.

  • De zinnen 1 + 2, met en zonder «να». Zoals je zien is de eerste zin veel directer dan de tweede. Hetzelfde geldt voor de zinnen 4 + 5.
  • De zinnen 3, 6 en 7 zijn ontkenende bevelen. Voor zin 7 alleen «μη(ν)» gebruikt, dat eventueel aangevuld kan worden met het gewenste werkwoord in de aanvoegende wijs.

Om het effect van een direct bevel of gebod af te zwakken, zodat het meer als een suggestie klinkt kunnen we ook het partikel «για» zoals in:

  • Για έλα εδώ ένα λεπτό!
  • Για πες μου μωρέ, γιατί γκρινιάζεις;
  • Kom eens een minuut hier
  • Zeg eens kind, waarom heb je het koud.

Als we het bevel nog milder en meer beleefd willen zeggen kunnen we ook «παρακαλώ = alstublieft» gebruiken. Het kan aan het begin of aan het eind van een zin gezet worden en we vervoegen het werkwoord in de 2de persoon meervoud (de beleefde «u» vorm)

  • Παρακαλώ, έλατε μέσα!
  • Καθίστε παρακαλώ!
  • Komt U alstublieft binnen!
  • Gaat u zitten, alstublieft!