Tijden - wijzen Actieve Vorm
Aantonende wijs Enkelvoud Meervoud
Onvoltooid tegenwoordige tijd είμαι είμαστε
είσαι είστε, είσαστε
είναι είναι
Onvoltooid verleden tijd ήμουν(α) ήμαστε, ήμασταν
ήσουν(α) ήσαστε, ήσασταν
ήταν(ε) ήταν(ε), ήσαν(ε)
Aoristus
Voltooid tegenwoordige tijd
Voltooid verleden tijd
Toekomende tijd (1) θα είμαι θα είμαστε
θα είσαι θα είστε, θα είσαστε
θα είναι θα είναι
Toekomende tijd (2)
Voltooid toekomende tijd
Aanvoegende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijd να είμαι να είμαστε
να είσαι να είστε, να είσαστε
να είναι να είναι
Aoristus
Voltooid tegenwoordige tijd
Gebiedende wijs
Tegenwoordige tijd να είσαι (καλά) να είστε (καλά)
Aoristus
Deelwoord
Tegenwoordige tijd όντας
Voltooid tegenwoordige tijd
Onbepaalde wijs
Aoristus

Het werkwoord «είμαι» is het meest kenmerkende koppelwerkwoord. Het wordt veelvuldig gebruikt om het onderwerp in een zin te verbinden met een bijvoegelijk en naamwoordelijk gezegde, met een bijwoordelijke aanvulling in de vorm van een bijwoord of met een zin met een voorzetsel. Het koppelwerkwoord «είμαι» heeft slechts twee groepen tijden nl. de onvoltooid tegenwoordige tijd en de onvoltooid verleden tijd. Door de vormen van deze tijden te combineren met met het partikel «θα» en «να» worden resp. de onvoltooid toekomende tijd en de onvoltooid tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs gevormd.

  • Dit werkwoord heeft geen voltooide tijden
  • Bovengenoemd tegenwoordig deelwoord «όντας» wordt zelden gebruikt

ελληνικός
  • Η Μαρία είναι η πιο καλή μου μαθήτρια.
  • Ο Γιώργος είναι συμπαθητικός.
  • Αυτή δεν είναι πάντα τίμια.
  • Ο Γιάννης είναι κουρασμένος.
  • Η Ελένη είναι έξυπνη.
  • Εμείς οι Ολλανδοί δεν είμαστε πάντα φιλικόι.
ολλανδός
  • Maria is mijn beste leerlinge.
  • Sjors is sympathiek.
  • Zij is niet altijd eerlijk.
  • Jan is moe.
  • Helen is intelligent.
  • Wij Hollanders zijn niet altijd vriendelijk.


Als het onderwerp in een zin niet aanwezig is of als het een persoonlijk voornaamwoord in het enkelvoud is, waarbij geen naam wordt aangegeven, gaat men bij het vormen van een zin met een bijvoegelijk of naamwoordelijk gezegde voor het geslacht uit van de persoon waarvan men begrijpt dat hij, zij of het het onderwerp is zoals in de volgende zinnen.

ελληνικός
  • a. Είναι πολύ κουρασμένο.
  • b. Εσύ, και είσαι κουρασμένη;
  • c. Είμαι μια συνάδελφη της Άννας.
ολλανδός
  • a. Hij is erg moe.
  • b. En jij, ben je ook moe.
  • c. Ik ben een collega van Anneke.
  • In zin a. begrijpen we dat het werkwoord, in de derde persoon, het onderwerp is doordat het bijvoegelijke naamwoord mannelijk enkelvoud is.
  • In zin b. zien we dat bij ht werkwoord in de tweede persoon geen naam staat, maar dat het bijvoegelijke naamwoord vrouwelijk enkelvoud is.
  • Zin c. is helemaal duidelijk omdat het zelfstandig naamwoord «een collega» voorafgaat door een vrouwelijke lidwoord.


Als het onderwerp van het werkwoord «είμαι» in het meervoud staat en als dit meervoud een groep mensen vertegenwoordigt van het mannelijke en vrouwelijke geslacht, of zelfs onzijdig is, dan wordt het bijvoegelijke naamwoord of het gezegde naar het mannelijke geslacht vervoegd.

ελληνικός
  • Άνδρες και γυναίκες είναι συχνά παντρεμένοι.
  • Τα παιδιά και οι γηναίκες δεν είναι έτοιμοι ακόμα.
  • Αυτοί οι πατέρες και τα παιδιά τους είναι όλοι καλοί κολυμβητές.
ολλανδός
  • Mannen en vrouwen zijn vaak getrouwd.
  • De kinderen en de vrouwen zijn nog niet klaar.

  • Deze vaders en hun kinderen zijn allemaal goede zwemmers.


Als het onderwerp een groep voorwerpen betreft, van verschillende geslachten, dan wordt het gezegde hetzij in het onzijdige meervoud vervoegd of in het geslacht van het zelfstandige naamwoord dat het dichts bij het werkwoord staat.

ελληνικός
  • Οι νεαροί και τα κορίτσια ήταν πολύ χαρούμενα.
  • Τα ντουλάπια και οι καρέκλες ήταν βαμμένες μπλε.
  • Οι τσέπες και τα χέρια του παιδιού ήταν γεμάτα ζαχαρωτά.
ολλανδός
  • De jongens en de meisjes waren erg vrolijk.
  • De kasten en de stoelen waren blauw geverfd.

  • De zakken en de handen van het kind zaten vol met snoep.

«είμαι» als hulpwerkwoord:

De voltooide tijden komen in het MG niet zo vaak voor als in het Nederlands. Ze worden gevormd met behulp van het hulpwerkwoord «έχω = hebben». Ze worden alleen gebruikt als de situatie, die het werkwoord aangeeft, in het heden plaats vindt, maar de handeling of gebeurtenis heeft zich in het verleden afgespeeld. We hebben hier te maken met het aspect dat een resultaat van een situatie uitdrukt.

Als een deelwoord in de lijdende vorm een bijvoegelijke functie heeft dan wordt het met het hulpwerkwoord «είμαι = zijn» gecombineerd:

ελληνικός
  • Το γράμμα είναι γραμμένο
  • Το τραπεζάκι ήταν πιασμένο από μένα.
  • Ο τοίχος ήταν βαμμένος μπλε.
ολλανδός
  • De brief is (is klaar) geschreven
  • Het tafeltje was door mij gereserveerd.
  • De muur was blauw geverfd.

Als Grieks niet je moedertaal is, is het wellicht beter de voltooide tijd niet te vaak te gebruiken. Dan is de aoristus een goed alternatief.