| Nederlands | Grieks |
|---|---|
| Hallo Manolis, leuk je weer te zien | Γεια σου Μανόλη, χάρηκα να σε ξαναδώ! |
| Hallo Irene! dat vind ik ook | Γεια σου Ειρήνη, κι εγώ χάρηκα! |
| Waar ga je heen? | Πού πηγαίνεις; |
| Ik ga naar het centrum. | Πηγαίνω στο κέντρο. |
| Ik ga ook naar het centrum. Ζullen we samen gaan; | Κι εγώ πηγαίνω στο κέντρο. Πηγαίνουμε μαζί; |
| Goed, we gaan. | Εντάξει, πάμε. |
| Moet je boodschappen doen? | Πρέπει να κάνεις ψώνια; |
| Ik wil graag een cadeau voor mijn moeder kopen. | Θα ήθελα να αγοράσω ένα δώρο για τη μητέρα μου. |
| Is het voor haar verjaardag? | Είναι για τα γενέθλιά της; |
| Ze viert morgen haar naamdag. | Θα έχει τη γιορτή της αύριο. |
| Wat ga je kopen? | Τι θα αγοράσεις; |
| Ik wil haar een boek geven, omdat ze graag leest. | Θέλω να της δώσω ένα βιβλίο, επειδή της αρέσει να διαβάσει. |
| Dan kan ik je helpen, want ik hou ook van boeken. | Τότε μπορώ να σε βοηθήσω, επειδή κι εγώ μου αρέσουν τα βιβλία. |
| Graag, voor mij is de keuze moeilijk, want ik ben geen lezer. | Ευχαρίστως, για μένα η επιλογή είναι δύσκολη, γιατί δεν είμαι αναγνώστης. |
In dit gesprekje staan o.a. de volgende nieuwe werkwoorden:
- βλέπω = zien - «ik zie»
- πρέπει = moeten, het is nodig - «het moet, het is nodig»
- μπορώ = kunnen, - «ik kan»
- θέλω = willen - «ik wil»
- αγοράζω = kopen - «ik koop»
- δίνω = geven - «ik geef»
- κάνω = doen - «ik doe»
- In de eerste zin zien we het woord «ξαναδώ». Dat is een vervoeging van het werkwoord «ξαναβλέπω = weer zien». Het gaat hier om een samengesteld woord. Het is een combinatie van de woorden "ξανά = opnieuw, weer en «βλέπω = zien». Het MG is rijk aan samengestelde woorden - «τα σύνθετα» en er zijn dan ook veel combinaties mogelijk. Hierboven vind je vervoeging van het werkwoord «βλέπω».
- In zin drie «πού πηγαίνεις» is het werkwoord «πηγαίνω/πάω = gaan» vervoegd in de 2de persoon enkelvoud. De o.t.t. en de o.v.t. hebben we in de eerste les geleerd, de gehele vervoeging van dit werkwoord vind je op de link hierboven
- Het woord «πρέπει = moeten» of «het is nodig», in zin 7 is een onregelmatig werkwoord wat alleen in de 3de persoon van de onvoltooid tegenwoordige tijd, de onvoltooid verleden tijd en de toekomende tijd in de aantonende wijs vervoegd wordt. Het is onregelmatig omdat het altijd gevolgd wordt door het partikel «να», hetgeen impliceert dat een werkwoord in de «aanvoegende wijs -η υποταχτική» zou moeten staan en dat is bij dit werkwoord niet het geval. Het werkwoord «κάνω» in dezelfde zin en de vervoeging in de 2de persoon enkelvoud ervan.
- «Θα ήθελα» = ik zou graag willen is een vorm van het werkwoord «θέλω» = willen, die veel gebruikt wordt. Het is een onregelmatig werkwoord met enkel een actieve vorm. Het partikel «να» dat erachter staat duidt weer op de bovengenoemde aanvoegende wijs. De link voor de hele vervoeging vind je weer in de quote.
- In bovenstaand lesje staan de volgende woorsoorten «hier tussen deze haakjes»:
lidwoord
- «στο» κέντρο
- «ένα» δώρο
- «τη» μητέρα μου
- «τα» γενέθλιά της
- «τη» γιορτή της
- «ένα» βιβλίο
- «τα» βιβλία
- «η» επιλογή
persoonlijk voornaamwoord *
- να «σε» ξαναδώ
- κι «εγώ» χάρηκα
- πού πηγαίνεις *
- πηγαίνω *
- πηγαίνουμε μαζί *
- πάμε *
- να κάνεις *
- να αγοράσω *
- θα αγοράσεις *
- της δώσω *
- «της» αρέσει
- «σε» βοηθάω
- «εγώ» «μου» αρέσουν
- για «μένα»
- δεν είμαι * αναγνώστης
bezittelijk voornaamwoord
- τη μητέρα «μου»
- τα γενέθλιά «της»
- τη γιορτή «της»
* Bij deze zinsdelen zien we aan de uitgang van het werkwoord om welke persoonsvorm het gaat.
- Het lidwoord
- In bovenstaand lijstje met lidwoorden staan bepaalde en onbepaalde lidwoorden, met de bijbehorende zelfstandig naamwoorden, mannelijk, vrouwelijk en onzijdig, verbogen in de juiste naamval.
Op de volgende bladzijden vind je de grammatika:
- Het persoonlijke voornaamwoord
- In dit lijstje zien we genoemde en niet-genoemde persoonlijke voornaamwoorden in de sterke en zwakke vorm, verbogen in de betreffende naamval.
- In bv. «να σε ξαναδώ» is «σε» de zwakke vorm van de 2de persoon enkelvoud in de 4de naamval.
- In het zinsdeel «πηγαίνουμε μαζί» wordt het persoonlijke voornaamwoord niet genoemd, maar aan de uitgang «-ουμε» kunnen we zien dat het hier om de sterke vorm van de 1de persoon meervoud in de 1ste naamval gaat.
- In «της δώσω» wordt het zwakke persoonlijke voornaamwoord van de 3de persoon enkelvoud in de 2de naamval gebruikt. Dit is in het Nederlands het meewerkend voorwerp.
- «για (ε)μένα» is hier het sterke persoonlijke voornaamwoord in de 4de naamval.
Uitgebreide uitleg vind je weer in de grammatika op de volgende pagina:
- Het bezittelijk voornaamwoord
- De zwakke vorm het persoonlijke voornaamwoord in de 2de naamval zijn tevens de bezittelijke voornaamwoorden.
- In het zinsdeel «μητέρα «ου» staat het bezittelijke voornaamwoord achter het zelfstandig naamwoord en het is onverbuigbaar.
Op de volgende links vind je:
- Het werkwoord «είμαι» is een onregelmatig werkwoord. In het MG bestaat zelfs geen werkwoord dat op dezelfde wijze vervoegd wordt
- Het werkwoord «είμαι» komt voor als koppelwerkwoord, als hulpwerkwoord en als een zelfstandig werkwoord. Klik hier voor de volledige vervoeging en uitleg ervan.
- In de eerste les hebben we de o.t.t. en de o.v.t. van «είμαι» al geleerd en hier volgen nog enkele zinnen waarin het gebruikt wordt.
| Nederlands | Grieks |
|---|---|
| Ik ben een vrouw | Εγώ είμαι μια γυναίκα |
| Jij bent een man | Εσύ είσαι ένας άντρας. |
| Zij is een Griekse | Αυτή είναι Ελληνίδα |
| Wij zijn Grieken | Εμείς είμαστε Έλληνες |
| Jullie zijn meisjes | Εσείς είστε κορίτσια |
| Ζij zijn jongens | Αυτά είναι αγόρια |
ελληνικός
- κάνω
- κάνεις
- κάνει
- κάνουμε
- κάνετε
- κάνουν(ε)
ολλανδός
- ik doe/ik maak
- jij doet/jij maakt
- hij/zij doet/hij/zij maakt
- wij doen/wij maken
- jullie doen - maken/u doet - maakt
- zij doen/ zij maken
| Nederlands | Grieks |
|---|---|
| Ik ga in bad | Εγώ κάνω μπάνιο |
| Jij maakt een grote reis | Εσύ κάνεις ένα μεγάλο ταξίδι |
| Hij fietst | Αυτός κάνει ποδήλατο |
| We doen allemaal iets samen | Εμείς κάνουμε κάτι όλοι μαζί |
| Wat vinden jullie leuk om te doen? | Τι σας αρέσει να κανετε; |
| Wat doen deze mensen? | Αυτοί οι άνθρωποι τι κάνουν; |
| vakantie hebben | κάνω διακοπές |
Het werkwoord «κάνω» wordt vaak gebruikt in het MG in tal van andere betekenissen, waarvan er hier nog enkele volgen:
ελληνικός
- H εταιρεία μας κάνει ούζο από το 1900.
- H κερασιά δεν έκανε φέτος κεράσια.
- H μπλούζα κάνει σούρες στο μανίκι.
- Oι τοίχοι έκαναν ρωγμές.
- Γιατί μου το έκανες αυτό;
- Kαι τι θα μου κάνει, αν δεν πάω;
- Θέλει να κάνει το γιο του δικηγόρο.
- Kάνει τον καθηγητή μας, σαν να είναι ο ίδιος.
- Tι τα έκανες τα κλειδιά;
- Πέντε και τρία κάνουν οκτώ.
ολλανδός
- Ons bedrijf maakt ouzo vanaf 1900.
- De kersenboom gaf dit jaar geen kersen.
- Het shirt heeft franjes aan de mouw.
- De muren scheurden. (lett. maakten scheuren)
- Waarom doe je me dt aan?
- Wat maakt het mij uit, als ik niet ga?
- Hij wil dat zijn zoon advocaat wordt.
- Hij imiteert onze professor, alsof hij het zelf is.
- Waar heb je de sleutels gelaten? (lett. wat deed je de sleutels)
- Vijf plus drie is acht.
ελληνικός
- βλέπω
- βλέπεις
- βλέπει
- βλέπουμε
- βλέπετε
- βλέπουν(ε)
ολλανδός
- ik zie, kijk
- jij ziet, kijkt
- hij/zij ziet, kijkt
- wij zien, kijken
- U ziet, kijkt, jullie zien, kijken
- zij zien, kijken
| Nederlands | Grieks |
|---|---|
| Hij/zij kijkt met een oog. | Bλέπει μόνο από το ένα μάτι. |
| Ik wordt oud en zie niet goed. | Γερνάω και δε βλέπω καλά. |
| De ramen kijken (uit) op de tuin. | Tα παράθυρα βλέπουν στον κήπο. |
| Ik zag niet(s) voor me vanwege de mist. | Δεν έβλεπα μπροστά μου από την ομίχλη. |
| Wat je niet ziet, geloof je niet. | Aν δεν το δω, δεν το πιστεύω. |
| Ik zag hem plotseling voor me. | Tον είδα ξαφνικά μπροστά μου. |
| Ik hoorde lawaai en kwam kijken wat er gebeurde. | Άκουσα φασαρία και ήρθα να δω τι συμβαίνει. |
| We werden uiteindelijk helemaal niet gezien | Δεν ειδωθήκαμε καθόλου τελευταία |
| Uit het oog, uit het hart. (lett. ogen die niet gezien worden worden snel vergeten). | Mάτια που δε βλέπονται, γρήγορα λησμονιούνται. |
| Deze film wordt niet bekeken. (omdat hij slecht is) | Aυτή η ταινία δε βλέπεται! |
Leren:
- 1. Het alfabet leren
- 2. Van de werkwoorden «κάνω» en «βλέπω» de onvoltooid tegenwoordige tijd leren
- 3. test3
- 4. Woorden les-2+3 leren
Bekijken:
