- Om het geslacht uit te drukken, meestal van het zelfstandig naamwoord (bv. als onderwerp).
- Ένα παιδί πάντα έχει δίκιο
- Een kind heeft ten alle tijden rechten
- Een kind heeft ten alle tijden rechten
- De kleine Alex is een zeer levendig kind
- Om een niet gespecificeerde tijd aan te geven.
- Ένα καλοκαίρι πήγα στη Σαντορίνη.
- Μια φορά κι έναν καιρό πήγαινα συχνά στη Σαντορίνη.
- Op een zomer ging ik naar Santorini
- Er waren tijden dat ik vaak naar Santorini ging
- Voor een zelfstandig naamwoord waarvan de hoeveelheid niet vaststaat
- Θέλω έναν καφέ με ζάχαρη και ένα νερό.
- Ένα μιλκ σέικ και ένα καλαμάκι, παρακαλώ.
- Ik wil een koffie met suiker en een (glas) water.
- Graag een milk shake met een rietje.
- Het kan gebruikt worden voor een aantal voornaamwoorden zoals, άλλος, τέτοιος, en δικός μου/σου/του
- Ένα τέτοιο γεγονός με αφήνει έκπληκτη.
- Ο Μανόλης δεν θέλει το δικό σου αυτοκίνητο, θέλει ένα δικό του.
- Zo'n gebeurtenis laat me verbaasd achter.
- Manolis wil jouw auto niet, hij wil er een van zichzelf.
- Έχω μια πείνα
- Είναι μια καλή δασκάλα
- Βλέπουμε μια ταινία στην τηλεόραση
- Έρχεται ένος φίλος της Πόπης
- Παίρνω μία τρομάρα!
- Θέλω μια άσπρη μπλούζα.
- Ik heb honger
- Zij is een goede onderwijzeres
- We zien een film op de tv
- Er komt een vriend van Poppie
- Ik ben bang!
- Ik wil een witte blouse.
Het onbepaalde lidwoord heeft geen meervoudsvorm
Onbepaalde voornaamwoorden komen in het meervoud daarvoor in de plaats zoals in:
- Μερικοί Έλληνες δεν είναι αναγνώστες. - Sommige Grieken zijn geen lezers.
In het MG wordt het onbepaalde lidwoord vaak weggelaten:
- na het werkwoord zijn - «είμαι» en worden «γίνομαι» + zelfstandig naamwoord of bijvoegelijk naamwooord, terwijl het in het Nederlands in die gevallen wel gebruikt wordt.
- als het onderwerp en lijdend voorwerp in een werkwoord zinsdeel verschijnen is dat meestel zonder bepaald lidwoord.
- Ο Μανόλης είναι εργάτης
- Είναι φίλος της
- Ο Μανόλης είναι Έλληνας
- Ο Μανόλης είναι φίλος μου
- Το δελφίνι είναι θηλαστικό.
- Είναι δικηγόρος.
- Έγινε καθηγητλής.
- Τον λένε Μανόλη.
- Δε γίνεται τίποτα.
- Manolis is een arbeider
- Hij is een vriend van haar
- Manolis is een Griek
- Manolis is een vriend van mij
- De dolfijn is een zoogdier
- Hij is een advocaat
- Hij werd professor
- Hij heet Manolis (Men noemt hem Manolis)
- Het wordt niets
Het bepaalde lidwoord wordt weggelaten in onderstaande zinnen:
- Als het onderwerp in de vorm van een zelfstandig naamwoord, eventueel voorafgegaan door een bijvoegelijk naamwoord, geen tastbare persoon of abstractie weergeeft. Zie de zinnen 1, 2, en 3.
- Als er journalistieke redenen zijn bij een abstract onderwerp, zoals in zin 4
- Als een zin een vraag, een ontkenning of een veronderstelling wordt uitgedrukt, zoals in de zinnen 5, 6 en 7.
- Als we in het zinsdeel met het werkwoord de soort van het voorwerp willen benadrukken en niet een specifiek voorwerp, zoals in de zinnen 8, 9 en 10.
- Is er verse vis?
- Er was rode wijn gemorst op de bank.
- Er zijn goede redenen waarom we niet
gaan. - Man doodt (zijn) vrouw.
- Heeft u familie?
- Ik spreek geen Italiaans.
- Als ik geld had, zou ik het graag kopen.
- Ik lees de krant
- Hij/zij studeert natuurkunde.
- Je ruikt naar parfum.
Het bepaalde lidwoord wordt weggelaten in de volgende gevallen:
- Als het zelfstandig naamwoord het onderwerp is en een onderdeel van een geheel weergeeft zoals in de zinnen 1 + 2. Hetzelfde geld voor het lijdend voorwerp in 3 + 4.
- In zin 4, 5 en 6 waarin het woordje «σαν» gebruikt wordt kan een lidwoord weggelaten worden, behalve als een specifieke persoon of ding wordt bedoeld.
- In veel zinnen, zoals in 8, 9 en 10, waarin een voorzetsel gebruikt wordt samen met een zinsdeel met een naamwoord, wanneer het voorzetsel geen bijzondere betekenis aangeeft.
- 1Ένα κομμάτι ψωμί.
- 2Ένα μπουκάλι νερό.
- 3Μ'αρπέσει να τρώω ψάρι.
- 4Χύθηκα νερό στο τραπέζι.
- 5Tον αγαπάει σαν αδελφό της.
- 6Σαν γνωστός μού φάνηκες.
- 7Σαν διευθυντής του εταιρείου ήταν πολύ αυστηρός
- 8Το γραφείο μας έχει κατά προσέγγιση ένα εκατομμύριο σε πωλήσεις
- 9Η κακή συμπεριφορά του τον έβαλε σε μπελάδες.
- 10Έκανε με προθυμία ό,τι του ζήτησα.
- Een stuk brood.
- Een fles water.
- Ik houd ervan vis te eten.
- Ik morste water op de tafel.
- Zij houdt van hem als van haar broer.
- Je deed je aan mij voor als een bekende.
- Als directeur van het bedrijf was hij erg streng.
- Ons kantoor heeft ongeveer een miljoen aan verkopen.
- Zijn slechte gedrag bracht hem in problemen.
- Hij deed met plezier wat ik hem vroeg.
- σπουδάζω μουσική
- παίζω πιάνο
- παίζω κιθάρα
- δηλώνω συμμετοχή
- σε τελευταία ανάλυση
- από επιστημονική άποψη
- σε κοινωνικό επίπεδο
- ik studeer muziek
- ik speel piano
- gitaar spelen
- aanwezigheid verklaren
- in het laatste onderzoek
- vanuit een wetenschappelijke opinie
- op een sociaal niveau
het weglaten van een lidwoord in vastaande handelingen
N.B.
In veel min of meer vaststaande handelingen en gebeurtenissen bestaande uit een werkwoord en één van de naamwoord- of voorwerpvormen, wordt het naamwoord niet vergezeld door een lidwoord. De werkwoorden die in zulke uitdrukkingen het meest voorkomen zijn «έχω» - hebben en «κάνω» - maken, waarvan de volgende voorbeelden:
- δεν έχω ιδέα
- δεν έχω καιρό (να)
- δεν έχω διάθεση (να)
- έχω δίκιο και έχεις άδικο!
- έχω πονοκέφαλο
- έχω σκοπό (να)
- έχω χρέος (να)
- έχει σημασία
- έχω πεποίθηση (σε)
- έχω εμπιστοσύνη σε
- κάνω εμετό
- κάνω εντύπωση
- κάνει ζέστη
- κάνω μάθημα
- κάνω μπάνιο
- κάνω νόημα σε
- κάνω φασαρία
- ik heb geen idee
- ik heb geen tijd (om)
- ik ben niet in de stemming (om)
- ik heb gelijk en jij hebt ongelijk
- ik heb hoofdpijn
- ik ben van plan (om)
- ik heb de plicht (om)
- het is belangrijk
- ik heb geloof (overtuiging) (in)
- ik heb vertrouwen (in)
- ik braak - ik geef over
- in heb de indruk
- het is heet
- ik geef les - ik heb les
- in neem een bad - ik zwem
- ik ben van mening
- ik maak ruzie
- via Athene
- via Alexandopolis
- de zin van het bestaan
- het rijbewijs
- identiteitskaart
- bank employé
- de Universiteit van Patras
- Stichting Kostas en Eleni Ourani
- Miaouli straat
- de gemeente Xanthi
Zin 1 + 2, na het voorzetsel via - «μέσω» wordt de tweede naamval gebruikt en het lidwoord achterwege gelaten.
Hetzelfde geldt voor de uitdrukkingen in de zinnen 3, 4, 5 en 6, waarbij het voorkomt dat het tweede gedeelte van het zinsdeel in de katharevousa-vorm verschijnt, zoals we hier zien bij de woorden «υπάρξεως», «οδηγήσεως», «τραπέζης» en «ταυτότητος».
Het lidwoord wordt niet gebruikt in de namen van straten en instituten., zie de zinsdelen 7, 8, 9 en 10.
