N.B.
  • In tegenstelling tot in het Nederlands worden eigennamen in het Grieks altijd voorgegaan door het bepaalde lidwoord.
ελληνικός
  • Ο Γιάννης
  • Ο Δούρειος Ίππος
  • Το Ζινικό Τείχος
ολλανδός
  • Jan
  • Het Paard van Troje
  • De Chinese Muur
  • Het wordt gebruikt voor geografische namen
ελληνικός
  • η Ελλάδα
  • η Αθήνα
  • η Πελοπόννησος
ολλανδός
  • Griekenland
  • Athene
  • de Poloponnesos
Enkele voorbeelden:
 

In deze vier zinnen gebruiken we eigennamen en geografische namen.

Het voorzetsel «σε» in zin 2 is samengetrokken met het bepaalde lidwoord in de 4de naamval.

In zin 3 wordt het onbepaalde lidwoord «μια» ook in de 4de naamval gebruikt.

In zin 4 staat het bepaalde lidwoord weer achter een voorzetsel, in dit geval «από» en dus in de 4de naamval.


N.B.

Het voorzetsel in, op en naar, in het Grieks «σε», wordt met het lidwoord verbonden zoals:

  • στον Πειραιά - in Piraeus
  • στην Αθήνα - in Athene
  • στο Βέλγιο - naar België
  • στους Κάτω Χώρες - naar Nederland(en)
  • στις πόλεις - naar de steden
  • μέσα στα σπίτια - binnenin de huizen

Meer over dit voorzetsel op op deze pagina

  • Ze worden op grote schaal gebruikt om een bepalende tijd aan te geven (dagen, delen van de dag, jaren, maanden en seizoenen) feesten en hemellichamen:
ελληνικός
  • Θα σε δω την Τετάρτη.
  • O Φεβρουάριος είναι ο μικρότερος μήνας του έτους.
  • O χειμώνας φέτος ήταν βαρύς.
  • Το 2003 ήταν καλύτερο.
  • Φέτος το Πάσχα πέφτει νωρίς.
  • Ο Δίας είναι ένας από τους εννέα πλανήτες.
  • Θα σε δω το μεσημέρι.
ολλανδός
  • Ik zal je woensdag zien.
  • Februari is de kortste maand van het jaar.

  • De winter was zwaar dit jaar.
  • 2003 was beter.
  • Dit jaar valt Pasen vroeg.
  • Jupiter is een van de negen planeten.

  • Ik zal je tussen de middag zien.
  • Een bepaald lidwoord wordt o.a. gebruikt om naar een specifieke persoon te verwijzen, waarvan de spreker weet dat zijn gesprekspartner deze persoon kent:
 N.B.
  • De zinnen 1 + 2 geven aan dat de gesprekspartner van de spreker, degene waar over gesproken wordt, kent.
  • Als het naamwoord zinsdeel bepaald is, zoals in de zinnen 3 + 4, wordt een bepaald lidwoord ook samen met een bezittelijk voornaamwoord gebruikt (hier «μου» en «του»). Is dat niet het geval dan wordt het lidwoord achterwege gelaten: «είναι φίλος της - hij is een vriend van haar».
  • Afhankelijk van de graad van vergelijking van een bijvoegelijk naamwoord of een bijwoord, wordt het bepaalde lidwoord gebruikt in de zinnen 5+6.
  • Het bepaalde lidwoord wordt gebruikt als een naamwoord zinsdeel bepaald wordt:
  • doordat het vergezeld gaat van een bijzin zoals in de zinnen 7 + 8 door «που είδαμε χθες» en «που συνάντησα περασμένη εβδομάδα».
  • doordat er een zinsdeel met een voorzetsel op volgt, zoals in de zinnen 9 + 10
  • doordat er een zinsdeel met een bijvoegelijk naamwoord op volgt, zoals in de zinnen 11 + 12.
  • Hier volgen nog tal van gevallen waarin het bepaalde lidwoord gebruikt wordt:
ολλανδός
  • Ik zag het op de televisie.
  • Hij/zij kwam met de trein.
  • Ik houd van mijn taal.
  • Hij denkt aan zijn toekomst.
  • Ik ben niet bang voor de dood
  • Die vrienden van hem kwamen gisteren.
  • Die dag zullen zij vertrekken.
  • Alle mensen zijn sterfelijk.
  • Iedereen spreekt over hem.
  • Van de sporten hou ik het meeste van voetbal.
  • Een zwaluw maakt nog geen lente.
  • Driekwart van onze planeet is water.

  • Twintig procent van de bevolking was het met het voorstel eens.
  • Aan welke broek geef je de voorkeur, de blauwe of de zwarte?
  • Van de drie schilderijen die hier waren, werd er een gemist.
  • De rijken kopen dure auto's.

  • De finale zal morgen plaatsvinden.
  • We liepen vijftien kilometer per uur.
 N.B.
  • Het bepaalde lidwoord in bovenstaande zinnen:
  • Als het lidwoord verwijst naar het lijdend voorwerp, waarvan het bestaan duidelijk is zoals in zin 1 + 2.
  • Met zelfstandige naamwoorden die een abstract begrip uitdrukken, zoals in zin 3, 4 en 5.
  • Als er een aanwijzend voornaamwoord in de zin staat of als er een onbepaald aantal wordt omschreven, zoals in de zinnen 6, 7, 8 en 9.
  • Met woorden die een algemeenheid aangeven, zoals in zin 10 + 11.
  • Wanneer delen en percentages worden aangegeven, zoals in zin 12 + 13.
  • Als we cijfers en bijwoorden gebruiken, zoals in zin 14 + 15.
  • In uitdrukkingen met zelfstandig gebruikte bijvoegelijke naamwoorden, zoals in zin 16 + 17.
  • In uitdrukkingen die een evenredigheid weergeven, zoals in zin 18.

  • Het onzijdige bepaalde lidwoord gebruikt in het enkelvoud:
ολλανδός
  • Denk niet aan gisteren, kijk naar morgen.
  • Ik was laat, maar luister waarom.
  • Zijn ego werd erdoor gekwetst.
  • Dat wat hij me zei, kun je je niet voorstellen.
  • Ik weet nog niet hoeveel het me gaat kosten.

  • Vraag niet naar het hoe en waarom.
  • Hoe schrijf je advocaat.
  • Vervoeg zwemmen in de onvoltooid verleden tijd.
  • Kent u het lied De Rivier?
  • Ga niet naar boven.
  • Hij kwam hier heen.
  • Zij verzamelden hun speelgoed haastig.

  • Ik zou de plaats geblinddoekt kunnen vinden.
  • Let ook een beetje op jezelf!
  • Zij kennen zichzelf erg goed.
  • Ze zijn wel of niet goed!
 N.B.
  • «το» in bovenstaande zinnen:
  • Het zelfstandige gebruik van een andere woordsoort:
  • In zin 1 is een bijvoegelijke naamwoord van tijd zelfstandig gebruikt.
  • In zin 2 is aan vragend bijvoegelijk naamwoord zelfstandig gebruikt
  • In zin 3 is een persoonlijk voornaamwoord zelfstandig gebruikt.
  • In de zinnen 4, 5 en 5. wordt «το» gebruikt om een zinsdeel te introduceren dat begint met een vragend voornaamwoord.
  • In de zinnen 7 + 8 verwijst het bepaalde lidwoord naar een specifiek woord.
  • Het wordt gebruikt voor titels van boeken, gedichten en liedjes, als in zin 9.
  • In de zinnen 10 + 11 wordt het onzijdige bepaalde lidwoord in het meervoud voor een bijwoord gebruikt. Dit zijn voornamelijk de bijwoorden «εδώ» en «εκεί» (hier en daar), «πάνω» en «κάτω» (boven en beneden), «μπρος» en «πίσω» (voor en achter)
  • In standaard uitdrukkingen voor een onzijdig bijvoegelijk naamwoord in het meervoud, dat geinterpreteerd kan worden als een bijwoord, zoals in de zinnen 12 + 13.
  • Bij een wederkerende uitdrukking wordt het bepaalde lidwoord gebruikt voor het naamwoord zelf - «εαυτός» in het enkelvoud en «εαυτούς» in het meervoud, gevolgd door een van de bezittelijke voornaamwoorden. Zie zin 14 + 15.
  • Het bepaalde lidwoord wordt zelfstandig gebruikt in zinnen die het zinsdeel «de een en de ander - και ο μεν και ο δεν» bevatten. In dit geval wordt het lidwoord verbogen naar geslacht, enkel- of meervoud en naamval. Zie zin 16.